- Sinds 10 januari 2019 moet elke overeenkomst die een onderhoudsbijdrage vastlegt het bedrag verantwoorden aan de hand van de bestanddelen van art. 1321, § 1 Ger.W. — niet alleen een vonnis.
- Uw overeenkomst moet uitdrukkelijk en in begrijpbare taal de loonmachtiging (art. 203ter oud BW) en de gegevens en opdracht van DAVO vermelden (art. 1321, § 3 Ger.W.). Dat wordt bijna altijd vergeten.
- Buitengewone kosten zijn wettelijk restrictief omschreven (art. 203bis, § 3 oud BW). Wat er niet onder valt, blijft gewone kost — en zit dus al in het maandbedrag.
- Waar voorafgaand akkoord vereist is, geldt een stilzwijgend akkoord na 21 dagen (30 dagen tijdens schoolvakanties van een week of meer).
- Indexering gebeurt van rechtswege aan het indexcijfer van de consumptieprijzen — niet aan de gezondheidsindex (art. 203quater, § 1 oud BW).
- De onderhoudsplicht stopt niet op 18 jaar: zolang de opleiding niet voltooid is, loopt ze door (art. 203, § 1 oud BW).
- Achterstallen én vorderingen voor buitengewone kosten verjaren na vijf jaar (art. 2277 oud BW).
Waarom de formulering zwaarder weegt dan het bedrag
Ouders onderhandelen weken over het bedrag en schrijven het beding daarna in drie regels op. In de dossiers die wij nakijken draait het conflict achteraf zelden om die drie cijfers. Het draait om de vraag wie de orthodontist betaalt, of het kot een buitengewone kost is, tot wanneer er betaald wordt en of een factuur van drie jaar oud nog opeisbaar is.
Dat zijn allemaal vragen die het beding zelf had kunnen beantwoorden. Deze pagina behandelt daarom uitsluitend de redactie van het alimentatiebeding: wat er wettelijk in moet, hoe u het formuleert en welke bewoordingen in de praktijk tot discussie leiden. Het bedrag zelf en de berekeningsmethode staan op onze pagina over alimentatie berekenen.
Wat de wet in uw overeenkomst wil zien
De meeste ouders weten niet dat de wet inhoudelijke eisen stelt aan de overeenkomst zelf, en niet alleen aan het vonnis. Sinds 10 januari 2019 bepaalt art. 1321, § 1, tweede lid Ger.W. dat elke overeenkomst die een onderhoudsbijdrage op grond van art. 203, § 1 oud BW vastlegt, het bedrag verantwoordt in het licht van de bestanddelen van het eerste lid — geheel of gedeeltelijk, op basis van de verklaringen van de partijen.
De acht bestanddelen van art. 1321, § 1 Ger.W.
- De aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders (art. 203, § 2 oud BW: beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten, en alle andere voordelen en middelen die de levensstandaard waarborgen).
- De gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld, en hoe die begroot zijn.
- De aard van de buitengewone kosten, het deel dat elke ouder draagt en de modaliteiten voor de aanwending ervan.
- De verblijfsregeling en de bijdrage in natura die daaruit voortvloeit.
- Het bedrag van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid (het Groeipakket) en van de sociale en fiscale voordelen die elke ouder voor het kind ontvangt.
- De inkomsten die een ouder in voorkomend geval haalt uit het genot van de goederen van het kind.
- Het aandeel van elke ouder in de kosten en de eventuele onderhoudsbijdrage, plus de aanpassingsmodaliteiten op grond van art. 203quater oud BW.
- De bijzondere omstandigheden van de zaak waarmee rekening is gehouden.
U hoeft van elk bestanddeel geen verhandeling te schrijven. Maar een overeenkomst die alleen een bedrag noemt, zonder één woord over inkomens, verblijfsregeling, Groeipakket of de aard van de buitengewone kosten, voldoet niet aan wat de wet vraagt — en geeft de rechter bij een latere betwisting niets om op terug te vallen.
Twee vermeldingen die bijna altijd ontbreken
Art. 1321, § 3 Ger.W. is nog concreter. Het vonnis of de overeenkomst moet uitdrukkelijk en in begrijpbare taal twee dingen vermelden:
- de mogelijkheid om de inkomsten van de schuldenaar of elke andere door een derde verschuldigde som te ontvangen — de loonmachtiging van art. 203ter, eerste en tweede lid oud BW;
- de gegevens van DAVO, de Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, met een verwijzing naar zijn opdracht inzake voorschotten en invordering.
Het basisbeding: wat er minimaal in staat
Het basisbeding regelt de maandelijkse onderhoudsbijdrage voor de gewone kosten. “De vader betaalt maandelijks kinderalimentatie” is geen beding — dat is een intentie. Onderstaande tabel toont wat er hoort te staan en waarom.
| Onderdeel | Waarom het erin hoort |
|---|---|
| Bedrag, per kind of globaal | Een globaal bedrag voor drie kinderen wordt onwerkbaar zodra er één zelfstandig wordt. |
| Ingangsdatum | Zonder datum begint de discussie bij de eerste maand. |
| Frequentie en vervaldag | “Maandelijks” zonder vervaldag maakt laattijdigheid onbewijsbaar. |
| Rekeningnummer | Bepaalt wie de bijdrage ontvangt en maakt betaling aantoonbaar. |
| Aanpassingsformule | Art. 203quater oud BW geldt van rechtswege; wijkt u ervan af, dan moet dat er staan. |
| Welke kosten het dekt | Zonder omschrijving valt elke betwiste uitgave terug op de gewone kosten. |
| Gevolg van laattijdige betaling | Maakt duidelijk vanaf wanneer er achterstal is. |
De kindrekening
Art. 203bis, § 4 oud BW voorziet dat de familierechtbank de ouders kan verplichten een aparte rekening te openen waarop de bijdragen en de sociale voordelen van het kind worden gestort. De rechtbank bepaalt dan minstens de bijdrage van elke ouder, het maandelijkse stortingstijdstip, hoe over de gelden kan worden beschikt, welke kosten ermee worden betaald, hoe het toezicht op de uitgaven verloopt, hoe tekorten worden aangevuld en wat er met overschotten gebeurt. U kunt dat systeem ook vrijwillig in uw overeenkomst opnemen. Het werkt goed bij ouders die het over de besteding oneens zijn, en slecht bij ouders die elkaar niets gunnen: het vraagt maandelijkse opvolging.
Het beding over buitengewone kosten
Dit is het onderdeel waar de meeste dossiers op stuk lopen. De wet definieert het begrip zelf, en die definitie is enger dan de meeste ouders denken.
Let op het woord toevallige of ongewone gebeurtenissen. Een kost die voorspelbaar is en jaarlijks terugkeert, valt daar in beginsel niet onder. Dat heeft een gevolg dat vaak wordt onderschat: een uitgave die noch als gewone kost is omschreven, noch aan de wettelijke definitie van buitengewone kost beantwoordt, wordt als gewone kost behandeld — en zit dus al in het maandbedrag. Wie het beding beperkt tot een korte, gesloten lijst, laat alles wat er niet op staat bij één ouder liggen.
Wat er in de praktijk onder valt
- (Para)medische kosten die verder gaan dan een gewoon bezoek bij de huis- of tandarts: orthodontie, ziekenhuiskosten, logopedie, psychologische begeleiding.
- Buitengewone schoolkosten: inschrijvingsgeld, bos- of stadsklassen, uitstappen met overnachting. Schoolmaaltijden en zwemlessen worden er doorgaans juist van uitgesloten.
- Niet-occasionele vrijetijdsbesteding: lidgelden, sportkledij, sport- of taalkampen. Een avondje uitgaan niet.
- Uitzonderlijke kledij, zoals een winterjas of duurdere schoenen — dit ligt betwist en verdient een uitdrukkelijke keuze.
- Andere kosten waarover uitdrukkelijk wordt afgesproken, bijvoorbeeld een internetabonnement of een laptop voor het hoger onderwijs.
Art. 203bis, § 3, laatste lid oud BW machtigt de Koning om de buitengewone kosten en de afrekeningswijze vast te stellen. Belangrijk voor u: dezelfde bepaling zegt uitdrukkelijk dat bij overeenkomst van die lijst en die afrekeningswijze kan worden afgeweken. U bent dus niet gebonden aan een standaardlijst — op voorwaarde dat u uw eigen keuze opschrijft.
Volgens welke sleutel verdeelt u ze?
Art. 203bis, § 1 oud BW is het uitgangspunt: elke ouder draagt bij in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen. Pro rata is dus de wettelijke basislijn, niet 50/50. Een 50/50-verdeling is perfect geldig wanneer u ze afspreekt en de inkomens dicht bij elkaar liggen, maar ze is een keuze die u bewust maakt — geen vanzelfsprekendheid. Bij een verhouding van bijvoorbeeld 65/35 in de middelen leidt 50/50 op termijn tot scheefgroei en tot betwisting.
Voorafgaand akkoord: de termijn van 21 dagen
Waar buitengewone kosten voorwerp moeten zijn van voorafgaand overleg en een uitdrukkelijk voorafgaand akkoord, voorziet de wet zelf in een stilzwijgend akkoord. Wordt het verzoek gericht bij aangetekende zending, elektronische aangetekende zending of faxbericht en reageert de andere ouder niet op dezelfde wijze binnen 21 dagen te rekenen vanaf de dag na de verzending, dan is aan de vereiste van akkoord voldaan. Wordt het verzoek geformuleerd tijdens schoolvakanties van minstens één week, dan wordt die termijn 30 dagen. Bij hoogdringendheid en overmacht is geen voorafgaand akkoord vereist. Wordt een uitgave geweigerd, dan legt de meest gerede partij de betwisting voor aan de bevoegde rechter.
Bewijs, betaaltermijn en verjaring
Leg vast binnen welke termijn de betalende ouder het bewijsstuk bezorgt, welke stukken volstaan (factuur, kasticket, voorschotnota, betalingsbewijs, afrekening van het ziekenfonds) en binnen welke termijn de andere ouder zijn aandeel stort. Een gebruikelijke en werkbare afspraak is: bewijsstuk binnen dertig dagen na betaling, terugbetaling binnen dertig dagen na ontvangst.
Wacht daarbij niet te lang. Art. 2277 oud BW laat uitkeringen tot levensonderhoud verjaren door verloop van vijf jaren — en sinds 10 januari 2019 geldt diezelfde termijn uitdrukkelijk ook voor schuldvorderingen van buitengewone kosten bedoeld in art. 203bis, § 3. Een schoenendoos met facturen van zes jaar oud is juridisch een lege doos.
All-in of gesplitst? De keuze die het meeste conflict voorkomt
U hebt twee mogelijke structuren. De keuze daartussen bepaalt hoeveel u de komende tien jaar met elkaar moet afrekenen.
| Gesplitst | All-in | |
|---|---|---|
| Hoe het werkt | Maandbedrag voor de gewone kosten, buitengewone kosten apart verrekend | Eén hoger maandbedrag dat de gewone én de meeste buitengewone kosten dekt |
| Sterkte | Elke kost wordt gedragen naar werkelijke omvang | Geen maandelijkse afrekening, geen discussie per uitgave |
| Zwakte | Vraagt blijvend overleg, bewijsstukken en goede wil | Vallen de kosten hoger uit, dan komt één ouder tekort; blijven ze uit, dan betaalt de andere te veel |
| Uitvoerbare titel | Enkel voor het maandbedrag | Voor het volledige bedrag |
Eén argument weegt zwaar en wordt zelden genoemd: bij niet-betaling vordert DAVO de onderhoudsbijdrage in. Buitengewone kosten die u daarnaast onderling verrekent, vallen daar in beginsel buiten. Hoe meer u in het maandbedrag onderbrengt, hoe groter het deel waarvoor u zich op DAVO kunt beroepen. Ouders die vrezen dat afrekenen achteraf niet zal lukken, hebben er dus belang bij om all-in te werken.
Het indexeringsbeding
Hier maken ouders twee tegengestelde fouten. De eerste is denken dat er zonder beding niet geïndexeerd wordt. Dat klopt niet: art. 203quater, § 1 oud BW bepaalt dat de onderhoudsbijdrage van rechtswege wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De basisbijdrage is gebonden aan het indexcijfer van de maand die voorafgaat aan de maand van de uitspraak, en wordt om de twaalf maanden aangepast, vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking van het nieuwe indexcijfer in het Belgisch Staatsblad.
De tweede fout is een beding schrijven dat naar de gezondheidsindex verwijst. Dat is de index van de huurovereenkomsten en de lonen, niet die van art. 203quater oud BW. Dezelfde bepaling laat partijen wel toe om bij overeenkomst van de aanpassingsformule af te wijken — maar dan doet u dat bewust, met een expliciete formule en een duidelijke basismaand, niet per vergissing.
Het herzieningsbeding
Een veelgehoorde vrees is dat een bekrachtigde regeling “voor altijd” vastligt. Voor de kinderen is dat niet zo. Bij een EOT bepaalt art. 1288 Ger.W. dat de bepalingen over het gezag en het contact (2°) en over de bijdrage in levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen (3°) na de echtscheiding kunnen worden herzien door de bevoegde rechter wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen.
Let op het verschil met de partneralimentatie (art. 1288, eerste lid, 4°): dáár kunnen partijen uitdrukkelijk het tegenovergestelde overeenkomen en de herziening dus uitsluiten. Voor de kinderbijdrage bestaat die mogelijkheid niet. Een beding dat herziening voor de kinderen zou uitsluiten, houdt geen stand.
Waarom dan toch een herzieningsbeding? Omdat het de drempel concreet maakt. De wet vraagt een ingrijpende wijziging buiten de wil van de partijen; uw beding kan opsommen welke gebeurtenissen de ouders alvast als zodanig beschouwen, en welke procedure ze dan volgen — bijvoorbeeld eerst een overleg binnen dertig dagen, met uitwisseling van de recentste aanslagbiljetten en loonfiches, en pas daarna de rechtbank. Dat scheelt in de meeste gezinnen één procedure.
- verlies van werk of een structurele inkomensdaling
- een aanzienlijke inkomensstijging bij een van beide ouders
- wijziging van de verblijfsregeling
- overgang naar het secundair of het hoger onderwijs
- langdurige ziekte of bijkomende zorgnoden van het kind
- start of stopzetting van studies bij een meerderjarig kind
Het beding over meerderjarige en studerende kinderen
Art. 203, § 1 oud BW zegt het met zoveel woorden: “Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.” De achttiende verjaardag beëindigt de onderhoudsplicht dus niet. Een beding dat schrijft “deze regeling geldt tot het kind achttien wordt”, is in strijd met de wet en helpt niemand.
Wat u wél nuttig kunt regelen, is hoe de bijdrage vanaf de meerderjarigheid praktisch verloopt. Vier vragen verdienen een antwoord in het beding:
-
1
Aan wie wordt betaald?
Blijft de bijdrage op de rekening van de ouder komen, of gaat ze rechtstreeks naar het kind zodra het op kot zit? Beide kunnen; kies bewust. -
2
Welk bewijs van studie?
Bijvoorbeeld: jaarlijks vóór 31 oktober een inschrijvingsbewijs bezorgen. Zonder afspraak wordt dit elk najaar een discussie. -
3
Wat bij stopzetting of vertraging?
Leg vast wat er gebeurt bij het stopzetten van de studies of bij een tweede maal hetzelfde jaar. Niet als sanctie, maar als aanleiding tot overleg. -
4
Wat bij eigen inkomsten?
Een studentenjob van enkele weken per jaar is iets anders dan een vast inkomen. Bepaal vanaf welk niveau de bijdrage wordt herbekeken.
Het beding over wanbetaling — en waarom bekrachtiging telt
Art. 203ter oud BW geeft de onderhoudsgerechtigde de mogelijkheid zich te laten machtigen om, met uitsluiting van de schuldenaar, diens inkomsten of elke andere hem door een derde verschuldigde som te ontvangen: de loonmachtiging. De familierechtbank staat die machtiging in alle geval toe wanneer de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende, termijnen in de loop van de twaalf maanden vóór het verzoekschrift geheel of ten dele aan zijn betalingsverplichting heeft onttrokken — tenzij uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak anders doen oordelen.
Aanhoudende niet-betaling kan bovendien het misdrijf familieverlating opleveren: vandaag art. 391bis Sw., en vanaf 1 september 2026 art. 676 van het nieuwe Strafwetboek. Beide vergen dat men meer dan twee maanden in gebreke blijft.
De procedure om achterstallen daadwerkelijk in te vorderen, de tussenkomst van DAVO en de voorwaarden ervoor bespreken we apart op niet-betaling van alimentatie en DAVO. De formele wijzigingsprocedure staat op alimentatie wijzigen.
Zeven formuleringen die tot discussie leiden
| Wat er staat | Waarom het misloopt | Wat u schrijft |
|---|---|---|
| “De vader betaalt maandelijks kinderalimentatie.” | Geen bedrag, geen datum, geen rekening. Niet uitvoerbaar. | Bedrag, ingangsdatum, vervaldag en rekeningnummer voluit. |
| “Jaarlijks geïndexeerd volgens de gezondheidsindex.” | Art. 203quater oud BW werkt met het indexcijfer van de consumptieprijzen. | De wettelijke formule, of een bewuste afwijking met basismaand. |
| Een gesloten lijst van vier buitengewone kosten. | Wat er niet op staat, valt terug op de gewone kosten en dus op één ouder. | Een open omschrijving met voorbeelden, of een all-in bedrag. |
| “In onderling overleg.” | Laat de wettelijke termijn van 21 dagen ongebruikt. | Kanaal en termijn uitdrukkelijk benoemen. |
| Geen termijn om facturen door te sturen. | Achterstallen stapelen op en verjaren na vijf jaar. | Bewijsstuk binnen dertig dagen, terugbetaling binnen dertig dagen. |
| Geen woord over loonmachtiging en DAVO. | Art. 1321, § 3 Ger.W. schrijft die vermeldingen voor. | Twee zinnen die beide uitdrukkelijk vermelden. |
| “Deze regeling geldt tot het kind 18 wordt.” | Strijdig met art. 203, § 1 oud BW bij een niet-voltooide opleiding. | Een studiebeding met bewijs van inschrijving. |
Modelclausule
Onderstaande tekst is een vertrekpunt, geen kant-en-klare oplossing: de juiste formulering hangt af van uw verblijfsregeling, uw inkomensstructuur en de leeftijd van de kinderen. Laat de tekst altijd nakijken vóór u ondertekent.
Laat uw beding nakijken vóór u tekent
Onze tool bouwt uw ouderschapsovereenkomst stap voor stap op, waarna een advocaat de tekst controleert. De bekrachtiging door de familierechtbank kost €499,00 excl. BTW (€603,79 incl. BTW).